
|
Godsdienst
Mannen hebben een rib minder
Sommige mensen zullen toch even aarzelen als ze hierover een vraag gesteld krijgen. Het verhaal van Adams rib (Genesis 2:21) is hun eerder ingeprent dan de menselijke anatomie, en al hebben zij daarna wel begrepen dat mannen net zoveel ribben hebben als vrouwen, dan is dat nog niet tot alle onderdelen van de hersenen doorgedrongen.
Eva at een appel
De bijbel heeft het niet over een bepaalde vrucht: En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijne vrucht en at; en zij gaf ook hare man met haar, en hij at (Genesis 3:6).
Van een appel is geen sprake. Toch duikt het beeld al vrij vroeg in de oudtestamentische symboliek op: Eva at een appel. Men heeft dat wel verklaard door de gelijkenis van de woorden voor appel en kwaad in het Latijn: malum, anderen wijten de verwarring aan een eenvoudige vertaalfout van Hiëronymus (347-419), de geleerde die een gezaghebbende nieuwe bijbelvertaling maakte, de Editio vulgata.
Dat er werkelijk appels groeiden in de Hof van Eden, is onwaarschijnlijk: het paradijs moet in de tropen of subtropen hebben gelegen, want er groeiden vijgen (Genesis 3:7). Een appel heeft lagere temperaturen nodig en groeit alleen in de gematigde streken.
Adam en Eva werden het paradijs uitgejaagd omdat zij van goed en kwaad wisten
Nadat Adam en Eva van de vrucht van de boom in het midden des hofs hadden gegeten, werd God boos: Hij vervloekte de slang plus het complete aardrijk, zorgde ervoor dat vrouwen voortaan slechts met smart kinderen zouden baren, en liet mannen in het zweet huns aanschijns werken.
Maar Hij verjoeg ze niet daarom uit het paradijs. Dat deed Hij opdat Adam niet ook nog van een andere boom zou eten, die waardoor hij net als God onsterfelijk zou worden. Toen zeide de Here God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke, en neme ook van de boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Zo zond de Here hem weg uit de Hof van Eden (Genesis 3:22-23). De weg naar de boom des levens liet Hij door engelen met vlammende zwaarden bewaken.
Adam en Eva hadden twee zonen, Kaïn en Abel
Nadat Kaïn zijn jongere broer had doodgeslagen (omdat God wel Abels offer wilde aanvaarden maar niet dat van Kaïn), ontstond bij Eva opnieuw kinderwens. En Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam Seth (Genesis 4:25). Adam was toen al honderddertig jaar oud, maar later kreeg hij nog meer kinderen: En de dagen van Adam, nadat hij Seth verwekt had, waren achthonderd jaar en hij verwekte zonen en dochteren (Genesis 5:4).
Het kaïnsteken gaf aan dat Kaïn moordenaar was
De Here stelde een teken aan Kaïn niet om hem te stigmatiseren, maar om hem te beschermen. Kaïn voelde zich schuldig nadat hij zijn broer Abel had doodgeslagen, en vreesde (Genesis 4:14) dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. Maar God antwoordde hem: Al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! Daarom stelde hij een teken aan Kaïn opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
De gebruikelijke opvatting dat het teken Kaïn op het voorhoofd werd gedrukt, vindt geen steun in de bijbel.
De dronken Noach werd bespot door zijn jongste zoon
En daarom vervloekte Noach hem, zo menen de meeste mensen. Waarom anders zou Noach zo uit zijn slof geschoten zijn?
Volgens het bijbelverhaal (Genesis 9:22-27) werd Noach na de zondvloed wijnbouwer, en ervoer aan den lijve de effecten van de wijn: En hij dronk van die wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent. Zijn zoon Cham kwam langs, zag zijn vaders naaktheid en waarschuwde zijn oudere broers, Sem en Jafeth. Die bedekten hun vader discreet.
Dat was al. Geen sprake van spot. Maar toen Noach zijn roes had uitgeslapen en merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had, vervloekte hij Cham en zijn complete nageslacht.
Het woord zondvloed verwijst naar de zonden onzer vaderen
Het woord zondvloed komt uit het Middel-Nederlands sintvloet: grote overstroming. Toen het voorvoegsel sin (algeheel, altijd) in de zestiende eeuw in onbruik raakte, heeft de volksetymologie het geassocieerd met zonde.
Onan masturbeerde
Onanie is een ander woord voor zelfbevrediging, masturbatie, maar Onan, die zijn naam eraan gaf, deed iets anders volgens Genesis 38:9. Hij onttrok zich aan de leviraatsplicht, die van hem eiste dat hij kinderen zou verwekken bij Thamar, de vrouw van zijn overleden broer Er. Onan ging wel tot zijns broeders huisvrouw in, maar hij trok zich voortijdig terug en verdierf het zaad tegen de aarde.
Deze plichtsverzaking door coïtus interruptus was de Here een gruwel, en daarom werd Onan door de Here gedood.
Mozes liep met hoorntjes
Michelangelos Mozes, te bezichtigen in de San Pietro in Vincole in Rome, heeft duidelijk twee hoorntjes op zijn hoofd. Ook andere kunstenaars beelden Mozes zo af, terwijl het toch onwaarschijnlijk is dat Mozes er werkelijk zo heeft bijgelopen.
De gewoonte is terug te voeren op een foutieve vertaling in de Editio vulgata: in Exodus 34:29 staat oorspronkelijk dat Mozes gezicht straalde toen hij van de Sinaï afdaalde, maar dat werd vertaald als met horens. Ofschoon men wel besefte dat hier sprake van een misvatting moest zijn, werd de uitbeelding van Mozes met horens algemeen zelfs bij gebeurtenissen uit zijn leven nog voordat hij de berg Sinaï was opgegaan.
 |
Detail van de Mozes van Michelangelo |
Delila schoor Simson kaal
Delila zeurde net zolang tot Simson (in de Editio vulgata Samson) het geheim van zijn kracht verklapte Indien ik geschoren wierd, zo zou mijne kracht van mij wijken maar het scheren liet zij aan een ander over: Toen deed zij hem slapen op hare knieën, en riep een man, en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem (Richteren 16:19).
Absalom bleef hangen aan zijn haar
Bij de slag van Efraïm ontmoette Absalom een soldaat van het vijandelijke leger van David. Absalom reed op een muil; en als de muil kwam onder de dichte takken van een grote eik, zo werd zijn hoofd vast aan de eik, dat hij hangen bleef tussen de hemel en tussen de aarde, en de muil, die onder hem was, reed door (2 Samuel 18:9). Absalom kwam dus met zijn hoofd klem te zitten, hij raakte niet verstrikt met zijn haar tussen de takken. Joab, veldheer onder David, maakte van de gelegenheid gebruik en stak drie pijlen door het hart van Absalom.
Het haar van Absalom de mooiste man van Israel is wel op een andere wijze befaamd, want hij knipte het maar een keer per jaar, als het hem te zwaar werd; het woog dan tweehonderd sikkelen, naar des konings gewicht (2 Samuel 14:26).
Zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen smeden
Een merkwaardig anachronisme in de Nieuwe Vertaling, want in oudtestamentische tijden bestonden nog geen ploegscharen. Die werden pas in de zesde eeuw uitgevonden. De Statenvertaling zegt dan ook (Jesaja 2:4): En hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen.
Jonas zat gevangen in een walvis
Het bijbelboek Jonas (of Jona, 1:17) spreekt slechts van een grote vis waarin de profeet terechtkwam nadat hij op eigen verzoek overboord was gezet.
Maar het misverstand is begrijpelijk, want Mattheüs (12:40) heeft het in de Statenvertaling ook over een walvis: Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
Andere vertalingen speken van zeemonster, wat beter past bij het Grieks, kètos.
Maria onbevlekt ontvangen betekent dat zij maagd bleef
Volgens bijna iedereen betekent de onbevlekte ontvangenis van Maria dat zij maagd bleef bij de ontvangenis van Jezus. Maar de feestdag Maria Onbevlekt Ontvangen is op 8 december, dus dan kan Jezus geboorte moeilijk op 25 december worden gevierd.
In werkelijkheid betekent de onbevlekte ontvangenis iets heel anders: het is het rooms-katholieke dogma volgens hetwelk Maria reeds bij haar conceptie in de moederschoot was gevrijwaard van de erfzonde. Met andere woorden: toen Marias moeder zwanger werd, was er sprake van een onbevlekte ontvangenis. Anders dan alle andere stervelingen was Maria, die immers de moeder van Jezus moest worden, niet besmet met de erfzonde. Maagdelijkheid heeft er niets mee te maken.
Het dogma werd pas in 1854 na veel discussie ingevoerd; voordien mochten rooms-katholieken er een eigen mening op nahouden.
Maria, de moeder van Jezus, was maagd
Volgens de evangeliën was Maria maagd toen zij zwanger werd van haar eerstgeboren zoon, maar dat betekent natuurlijk niet dat zij daarna maagd bleef. Mattheüs schrijft slechts (1:25): En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had.
Herhaaldelijk is later sprake van Jezus broeders. Volgens Johannes 7:5 bijvoorbeeld geloofden ook Zijne broeders niet in Hem, en volgens Lucas 8:19 en Mattheüs 12:46 liet Jezus Zijne moeder en broeders buiten staan toen die Hem wilden bezoeken. Later noemt Mattheüs ze zelfs bij naam: Jacobus, Jozef, Simon en Judas. In hetzelfde hoofdstuk (13:56) staat ook de vraag: En Zijne zusters, zijn zij niet allen bij ons?
Lang en hevig is hierover gedebatteerd. Volgens de katholieke theologen moeten we broeders en zusters in deze en soortgelijke passages niet zo letterlijk nemen, en er veeleer verwanten onder verstaan neven en nichten dus. De protestanten leggen de tekst uit zoals hij voor de hand lijkt te liggen: zij zeggen dat Jezus geen enig kind was en Maria geen maagd.
Jezus werd op 25 december geboren
Die datum is puur willekeurig gekozen althans, hij is niet gekozen op grond van wetenschappelijk onderzoek naar Jezus geboortedatum.
De datum werd volgens de meeste historici in 336 vastgesteld in Rome, in een poging het heidense zonnewendefeest te vervangen door een christelijk feest. Het Romeinse feest, de Saturnalia, was voornamelijk een slemppartij, en vermoed wordt dat ons kerstdiner nog daarmee te maken heeft. Tijdens de Saturnalia werden ook kaarsen gebrand en geschenken uitgewisseld.
Jezus werd AD 1 geboren
Zomin als de juiste dag vaststaat, zomin staat het jaar vast van Christus geboorte.
In de zesde eeuw waren de problemen rond de kalenderrekening (en in het bijzonder de vaststelling van de datum voor Pasen, het centrale christelijke feest) zo hoog opgelopen dat de monnik Dionysius Exiguus van paus Johannes I de opdracht kreeg een nieuwe, goede methode voor het bepalen van de paasdatum op te stellen. Met veel vernuft en vroom bedrog wist deze een kalender en een paasrekening te construeren die ieders instemming kon wegdragen (W. E. van Wijk: Onze kalender, Amsterdam 1955).
Ten tijde van Dionysius telde men de jaren meestal sedert de heerschappij van keizer Diocletianus, maar aangezien Dionysius niet aan onze cyclussen de herinnering wilde verbinden van een goddeloos christenvervolger, hebben wij er de voorkeur aan gegeven de jaren te benoemen sedert de vleeswording van onze Heer Jezus Christus.
Het eerste jaar van zijn nieuwe kalender noemde Dionysius vervolgens het jaar 532 van Jezus Christus onze Heer. Niet dat hij op de een of andere manier had vastgesteld dat Christus 532 jaar geleden was vleesgeworden (wat hij daaronder verstaat, vermeldt hij niet), het was slechts handig voor het berekenen van paasdata: die komen elke 532 jaar in een vaste volgorde terug in zijn kalender.
Dionysius Exiguus heeft zijn document opgesteld in wat wij nu 525 zouden noemen. Hij zat er met zijn schatting van Jezus geboortejaar (als dat is wat hij bedoelde) niet eens zo heel ver naast: de laatste vermoedens van de wetenschap gaan uit naar het jaar 4 v.Chr., al zijn er ook historici die tot 14 v.Chr. teruggaan.
Dionysius telling vond ingang in Europa rond 800, de tijd van Karel de Grote. De gewoonte jaren voor het begin van onze jaartelling voor Christus te noemen, ontstond pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw.
Lastig voor Nederlandssprekenden is, dat het jaar van Christus vleeswording bij ons het jaar 1 na Christus heet in plaats van het jaar 1 des Heren. Christus werd dus, in het Nederlandse systeem, 1 n.Chr. geboren.
De burgerlijke kalender kent geen nul; de eenentwintigste eeuw begon daarom op 1 januari 2001, zoals de eerste althans theoretisch begon op 1 januari 1.
Daar staat tegenover dat astronomen wel met de nul rekening houden; zij tellen terug 2, 1, 0, 1, 2 ..., zodat 1 januari 4713 v.Chr. voor hen 1 januari 4712 is. Met deze telling was dus 1 januari 2000 het begin van een nieuwe eeuw.
Drie koningen kwamen uit het oosten
Ze waren geen koning, hun aantal is onbekend, en men kan twisten over de vraag of ze uit het oosten kwamen. En ze aanbaden Jezus niet in de stal.
De enige evangelist die het verhaal vertelt, is Mattheüs. Hij heeft het (2:1-12) niet over koningen maar over magoi, dat zijn wijze mannen of magiërs, sterrenwichelaars. Mattheüs vermeldt geen aantal. Waarschijnlijk op grond van het feit dat er drie soorten geschenken waren goud, wierook en mirre ontstond het idee dat er ook drie personen waren.
Nog steeds volgens Mattheüs zagen de wijzen de ster in het oosten. Dat kan twee dingen betekenen. Of zij waren in het oosten en zagen de ster, of zij zagen de ster aan de oostelijke sterrenhemel. In dat laatste geval kwamen ze uit het westen, bijvoorbeeld van de kust, naar Jezus toe. Ook de Griekse tekst bevat deze dubbelzinnigheid.
De wijzen volgden niet onmiddellijk de ster, maar gingen eerst naar Jeruzalem om daar verder te vragen. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want Herodes, die hen uithoorde, liet later op hun aanwijzingen alle kinderen in Bethlehem uitmoorden (dat is een bijbelverhaal, geen historische gebeurtenis).
Pas toen de wijzen naar Bethlehem gingen, ten zuiden van Jeruzalem, ging de ster die zij eerder in het oosten hadden gezien, hun voor en zij verheugden zich met zeer grote vreugde.
Mattheüs vervolgt: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijne moeder; en nedervallende, hebben zij Het aangebeden. Geen sprake van een stal: die komt alleen voor in het evangelie van Lucas, maar daar zijn het herders die het kind aanbidden.
Pas in de achtste eeuw na Christus krijgen de drie koningen hun vaste namen, Kaspar, Melchior en Balthazar, en nog later worden zij voorgesteld als vertegenwoordigers van de drie mensenrassen. Kaspar wordt dan als neger afgebeeld.
Niemand hoort de roepende in de woestijn
De associatie is uiteraard dat iemand die in de woestijn staat te roepen, niet veel gehoor zal vinden. Maar dat is niet het bijbelverhaal, integendeel.
De roepende is Johannes de Doper, die volgens Mattheüs (3:2-7) predikte in de woestijn van Judea, gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja: En zeide: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
In die woestijn riep Johannes bepaald niet tevergeefs. Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan; en zij werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hunne zonden.
Jezus zei: De eersten zullen de laatsten zijn
Een uitspraak die graag wordt geciteerd door treuzelaars, achterblijvers en slechten ter been. Maar Jezus was niet zo stellig als het gezegde doet vermoeden. Mattheüs (19:30) en Marcus (10:31) laten Hem zeggen: Vele eersten zullen de laatsten zijn, en volgens Lucas (13:30) zei Hij: Er zijn eersten die de laatsten zullen zijn. Dus niet alle eersten zullen de laatsten zijn, misschien worden zelfs niet de meeste eersten laatsten.
Maria Magdalena waste Jezus voeten
Volgens Lucas 8:2 verkondigde Jezus het evangelie overal in aanwezigheid van Zijn discipelen en sommige vrouwen die van boze geesten en krankheden genezen waren, onder wie Maria genaamd Magdalena. Zij was ook aanwezig bij Zijn kruisiging en begrafenis, en was volgens Lucas zelfs de eerste die met Hem sprak na Zijn opstanding.
Even daarvoor, in Lucas 7:37-50, komt een zondares ter sprake die Jezus voeten wast met haar tranen, droogt met haar haren en zalft met haar mirre. Volgens de gezaghebbende vroeg-christelijke auteur Tertullianus (160?-224?) was deze vrouw niemand anders dan Maria Magdalena, maar enige aanwijzing daarvoor is verder niet in het evangelie te vinden.
Jezus droeg zelf Zijn kruis
Johannes (19:17) zegt dat Jezus Zijn eigen kruis naar Golgotha droeg, maar volgens de andere drie evangelisten moest een man uit Cyrene, Simon genaamd, het kruis dragen.
Hoe dat ook zij, wat een veroordeelde te dragen kreeg, was niet het complete kruis maar alleen de dwarsbalk, de patibulum. Op de plaats van executie stonden verticale palen al klaar, stevig in de bodem verankerd (G. Prause: Tratschkes Lexikon für Besserwisser, München 1986). De polsen van de veroordeelde werden aan de patibulum vastgenageld, en zo werd hij op de ongeveer twee meter hoge paal, de stipes, gehesen.
Het kruis zoals Jezus of Simon dat op schilderijen torst, is in ieder geval veel te kort: er is geen rekening gehouden met het gedeelte van de stipes dat de grond in moet.
Er waren twaalf apostelen Vergelijk de lijstjes van Markus en Lucas.
| Mattheüs 10 |
Lucas 6 |
| Simon, gezegd Petrus |
Simon, welke Hij ook Petrus noemde |
| Andreas, zijn broeder |
Andreas, zijn broeder |
| Jakobus, de zoon van Zebedeüs |
Jakobus |
| Johannes, zijn broeder |
Johannes |
| Filippus |
Filippus |
| Bartholomeüs |
Bartholomeüs |
| Thomas |
Thomas |
| Mattheüs, de tollenaar |
Mattheüs |
| Jakobus, de zoon van Alfeüs |
Jakobus de zoon van Alfeüs |
| Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs |
Judas, de broeder van Jakobus |
| Simon Kananites |
Simon genaamd Zelotes |
| Judas Iskariot |
Judas Iskariot |
De evangelisten zijn het eens over het aantal, maar terwijl de een Lebbeüs noemt, heeft de ander het over Judas (Marcus 3:14 spreekt van Thaddeüs). Op de quizvraag Noem de eerste twaalf apostelen zult u dus dertien namen moeten noemen.
Merk ook op dat Lucas wel evangelist was maar, anders dan vaak vanzelfsprekend wordt aangenomen, geen apostel.
Geld is de wortel van alle kwaad
Niet geld, maar geldzucht: in zijn eerste brief aan Timótheüs (1 Tim. 6:9-10) schrijft de apostel Paulus: Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.
De Apocalyps is de dag des oordeels
Het laatste bijbelboek heet in het Grieks Apokalupsis Joannou, de Openbaring van Johannes. Hierin vertelt Johannes wat hem werd geopenbaard door Jezus. Het zijn vooral visioenen die Johannes had over God op de troon, het boek met de zeven zegels, de zeven bazuinen, de zeven schalen, en ten slotte over het laatste oordeel (20:11-15). Het laatste oordeel is slechts een onderdeel van de openbaring.
Pasen is de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente
In 1903 was er in Europa een maansverduistering op eerste paasdag een beter bewijs dat de maan vol is, is niet te geven. Kennelijk ligt de regel toch wat anders. Al sinds eeuwen wordt de paasdatum niet door de maan (en ook niet door het Vaticaan), maar door de rekenkunde bepaald.
De beslissing Pasen te laten vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente werd al vroeg in de derde eeuw genomen. Maar het exacte tijdstip van volle maan is niet eenvoudig te voorspellen een paar minuten verschil rond middernacht kan een week verschil in paasdatum opleveren, en met een beetje pech kan het een maand schelen.
Eerdergenoemde Dionysius Exiguus kreeg in ongeveer 525 de opdracht een paasrekening op te stellen die voor iedereen aanvaardbaar was over het centrale feest van het christendom mocht immers geen ruzie zijn.
Het bepalen van de paasdatum, de computistiek, gold in de Middeleeuwen als het moeilijkste vak op de kloosterscholen. Tegenwoordig kan iedereen het, zelfs met de ingewikkelde aanpassingen die paus Gregorius XIII in 1582 liet doorvoeren om het kalenderjaar beter te laten aansluiten bij het astronomische jaar. Het berekenen van de paasdatum voor elk jaar na 1582 in acht eenvoudige stappen (bij de delingen hoeft u steeds alleen maar het deel voor de komma te nemen, 13,5 wordt dus 13):
a. Deel het jaartal door 19, neem de rest van die deling en tel er 1 bij op;
b. Deel het jaartal door 100 en tel er 1 bij op;
c. Vermenigvuldig de uitkomst van b met 3, deel door 4 en trek er 12 af;
d. Vermenigvuldig de uitkomst van b met 8, tel er 5 bij, deel die som door 25 en trek er 5 af;
e. Vermenigvuldig het jaartal met 5, deel door 4, trek daar eerst de uitkomst van c af en dan nog 10;
f. Vermenigvuldig de uitkomst van a met 11, tel daar 20 bij op, tel er de uitkomst van d bij op en trek daar de uitkomst van c af. Deel dat getal door 30 en neem de rest. Als die rest 24 is, of als de rest 25 is en de uitkomst van a was 11, tel dan 1 bij de rest op;
g. Trek nu de uitkomst van f af van 44. Blijft er minder dan 21 over, tel dan 30 erbij.
h. Tel de uitkomsten van e en van g op, deel deze som door 7 en bepaal de rest. Trek die af van de uitkomst van g vermeerderd met 7.
Als de uitkomst van h kleiner is dan 31, valt pasen op h maart, is h groter dan 31, dan valt pasen op h 31 april.
Voor j = 2010, en wat wiskundiger geformuleerd:
a = j mod 19 + 1 = 16; b = int(j/100) + 1 = 21;
c = int(3b/4) - 12 = 3; d = int((8b + 5)/25) - 5 = 1; e = int(5j/4) - c - 10 = 2499; f = (11a + 20 + d - c) mod 30 = 14; g = 44 - f = 30; h = g + 7 - ((e + g) mod 7) = 35.
Eerste paasdag 2010 wordt dus 35 - 31 = 4 april. Deze methode stamt rechtstreeks van de geleerden die in opdracht van paus Gregorius de kalender herzagen, Aloysius Lilius en Christophorus Clavius. Een ingewikkelder berekening en meer details zijn onder meer te vinden in T. H. OBeirne: Puzzles and paradoxes, Londen 1965. De oude definitie van Pasen vormde wel de grondslag voor de berekeningen van Dionysius en Clavius, maar de maan is een puur mathematisch object geworden, en de paasdatum is in feite gedefinieerd als de uitkomst van bovenstaande berekening. Clavius wist al dat er verschillen zouden optreden. Hij vergeleek de astronomische en de kerkelijke maan uitgebreid, en hij dacht ook al aan de bewoners van het zuidelijk halfrond: die moesten zich houden aan de lente van het noordelijk halfrond, waar Jezus immers had geleefd en gewerkt.
Sinterklaas werd op 5 december geboren
De feestdag van Sint-Nicolaas is op 6 december, maar zoals vroeger gebruikelijk was, startten de feestelijkheden al de avond ervoor (de dag eindigde bij zonsondergang in plaats van midden in de nacht).
Sinterklaas is echter niet op 5 december jarig in de wereldse zin: voor heiligen geldt meestal hun sterfdag als geboortedag. Aangenomen wordt dat de bisschop van Myra op 6 december overleed, maar het is in feite zelfs onbekend in welk jaar (van waarschijnlijk de vierde eeuw) hij is gestorven. De zesde december is dus betrekkelijk willekeurig.
Sinterklaas is niet, zoals men nog wel eens kan horen, in 1969 van de lijst van rooms-katholieke heiligen afgevoerd. Bij die herziening werd een aantal heiligen over wie te weinig met historische zekerheid bekend was, van de kalender verwijderd. Dat lot trof onder anderen Christoffel, Joris en Barbara. Maar Nicolaas werd, samen met enkele anderen, slechts in rang verlaagd: zijn feest werd niet langer verplicht gesteld, maar werd vrije gedachtenis.
Xmas is vulgair Amerikaans voor Christmas
Velen, ook in de Verenigde Staten, denken dat de verkorting Xmas een misplaatste nieuwerwetsigheid is. Nieuwerwets is de verkorting X, voor Christus, zeker niet. Al in de vierde eeuw meldt keizer Julianus de Afvallige dat hij oorlog voert tegen de X, en in de twaalfde eeuw wordt de verkorting X in het woord voor kerstmis gebruikt.
De X is de Griekse letter chi, de eerste letter van Christus naam. In latere christusmonogrammen werd er vaak nog de P bijgezet, de Griekse letter rho.
In de Middeleeuwen werden de X en de P verdrongen door een ander monogram, IHS. Dit staat voor Jezus, (via IHCOYC en IHC), en niet voor In Hoc Signo of Iesus Hominum Salvator dat is een vrome vondst van latere datum, aldus J. J. M. Timmers (Symboliek en iconographie der christelijke kunst, Roermond 1947).
Mohammed vluchtte naar Medina
De volledige naam van de stad is Madinat-al-Nabi, stad van de profeet. Maar toen Mohammed in 622 uit Mekka moest vluchten, werd hij nog lang niet als profeet gezien. De naam Medina is dan ook pas later gekomen: in Mohammeds tijd heette de stad Jathrib.
De aankomst van Mohammed in de stad geldt als het startpunt van de islamitische jaartelling.
De islamitische rechtspraak was wreed
Het islamitisch recht heeft in het westen de naam zo wreed te zijn, dat mohammedanen niet opzien tegen het afhakken van handen van dieven en het stenigen van moordenaars. In Arabische landen wordt het islamitisch recht tegenwoordig weer toegepast naast het burgerlijk recht.
Het islamitische strafrecht zoals dat is geformuleerd in de koran eist echter een zo strenge bewijsvoering, dat het zelden mogelijk is iemand te veroordelen. Bij de minste twijfel mag het niet worden toegepast. Bovendien zijn de definities van de misdaden zo smal, dat er altijd wel een voorwaarde is te vinden waaraan niet is voldaan, zodat de straf niet ten uitvoer kan worden gebracht (R. Peters: Whisky in de Nijl, Oratie Amsterdam 1993).
In een honderdtal negentiende-eeuwse moordzaken uit Egypte zijn slechts twee doodvonnissen en verder enkele eisen tot schadevergoedingen uitgesproken; in de andere gevallen werd de verdachte vrijgesproken. Van het afhakken van handen en het stenigen tot de dood erop volgt, was al helemaal geen sprake.
Als de islamitische rechter niet tot een veroordeling kwam, kon de zaak naar de burgerrechter worden verwezen, die dan strafte volgens het burgerlijke recht eerder, maar milder.
Tegenwoordig ligt dat anders. De islamisering van het recht begon in 1969 in Libië, maar de nieuwe wetten zijn daar, voorzover bekend, nooit toegepast. In Iran werden na de islamitische revolutie in 1979 nieuwe rechtbanken ingesteld om het islamitische recht toe te passen, en daarvan hebben zij, blijkens de jaarboeken van Amnesty International, ruimschoots gebruikgemaakt. Tegen hun uitspraken is geen beroep mogelijk, waardoor de rechters ongebreideld hun gang kunnen gaan.
Het meest opvallend, aldus Peters, is dat de invoering van het islamitisch recht door alle regimes (behalve dan het Libische) gebruikt is om op ruime schaal lijfstraffen in te voeren, ook voor delicten die niets met het islamitische strafrecht van doen hebben. Dat is naar mijn mening een van de belangrijkste redenen waarom de invoering van islamitisch strafrecht voor ondemocratische regimes zo aantrekkelijk is. Lijfstraffen bieden de mogelijkheid tot meer effectieve onderdrukking. De almacht van de staat en de futiliteit van het verzet daartegen worden onderstreept door het schouwspel van publieke executies, amputaties en geselingen.
Rituelen hebben diepere zin
Neem bijvoorbeeld het gegeven dat joden geen varkensvlees mogen eten. Hoe zou dat komen? vraagt Karel van het Reve in zijn Uren met Henk Broekhuis (Amsterdam 1978), en hij vervolgt: Dat komt, is dan het antwoord (probeer het maar in uw omgeving, lezer!) omdat er in varkensvlees al gauw exemplaren zitten van de trichinella spiralis, en daar kun je heel ziek van worden. En dat hadden die oude joden in de woestijn in de gaten. Inspektie van varkensvlees, voorschriften voor koken, inzouten en roken en zo, daar waren ze drieduizend jaar geleden nog niet aan toe. Ze hadden trouwens geen mikroskopen en konden die trichinen niet zien. En daarom verboden ze meteen maar het hele varken.
Rituelen worden dus, zo zegt hij, verdedigd door erop te wijzen dat ze, in de tijd waarin ze ontstonden, een nuttige functie vervulden en pas later onderdeel van religieuze voorschriften werden.
Toch lijkt het me geen sterke stelling, aldus weer Van het Reve. Ten eerste, laten we wel wezen, is varkensvlees helemaal niet ongezond. Gojim eten het al duizenden jaren. Als je zegt dat er in ongekeurd varkensvlees trichinen zitten en dat je daar ziek van kunt worden, dan is dat niet helemaal eerlijk, want je kunt wel zowat van alle voedsel ziek worden als daar ziektekiemen of -verwekkers inzitten, en die kunnen overal inzitten.
Het is, zo zegt Van het Reve, ons idee dat alles ergens toe dient, dat ons ertoe verleidt voor rituelen functionele verklaringen te geven. Rituelen zijn niet anders dan wat ze zijn: rituelen.
Hetzelfde betoogt de filosoof Frits Staal in De zinloosheid van het ritueel uit 1979 (herdrukt in zijn Zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap, Amsterdam 1986): Een wijdverbreide, doch onjuiste veronderstelling over het ritueel is dat het bestaat uit symbolische handelingen die naar iets anders verwijzen. Kenmerkend voor een rituele uitvoering is echter dat deze in zichzelf besloten en op zichzelf geconcentreerd is. Ook volgens Staal, die zich onder meer uitgebreid heeft verdiept in het Vedisch ritueel van het vuuraltaar, is ritueel zuivere handeling, zonder zin of doel.
Het resultaat is belangrijk, maar heeft alleen ritueel zin en kan alleen op de ritueel voorgeschreven wijze worden bereikt. Ik kan niet naar voren treden en de gang van zaken bevorderen door het vuur van het Oude Altaar op te nemen en op het Nieuwe te deponeren. Integendeel, zou ik zoiets verschrikkelijks doen, dan was juist de hele plechtigheid ontheiligd, onderbroken, en dienden zuiveringsriten te worden uitgevoerd.
Christenen geloven omdat het absurd is
De uitdrukking Credo quia absurdum (ik geloof het omdat het ongerijmd is) komt als zodanig niet voor bij enige laat-antieke of middeleeuwse theoloog, en van christenen wordt iets dergelijks ook niet verwacht.
De woorden zijn, zo neemt de Van Dale althans aan, een verbastering van een uitspraak van Tertullianus, die in de tweede eeuw schreef: De zoon van God is gestorven; dit is geheel en al geloofwaardig omdat het ongerijmd is. Hij is begraven en verrezen, dat is zeker omdat het onmogelijk is.
Tertullianus hield wel van paradoxen.
Om heiligen hangt een halo
De stralenkrans die schilders sinds het midden van de vierde eeuw om het hoofd van Christus en andere belangrijke figuren schilderen, wordt meestal met halo aangeduid, maar officieel is het een nimbus, een wolk. De klassieke dichters uit de Griekse oudheid lieten goden op aarde nederdalen omhuld door een wolk, en dit beeld is in de christelijke symboliek overgenomen. Oorspronkelijk was het een gouden of gekleurde cirkel achter het hoofd, maar in de barok werd de nimbus meestal een in perspectief getekende ring schuin boven het hoofd van de voorgestelde heilige.
Op vroege zomerochtenden kunnen we soms om de schaduw van ons hoofd op een bedauwd grasveld de heiligenschijn waarnemen, een duidelijke aureool die het gras om ons hoofd doet oplichten. De heiligenschijn is alleen om ons eigen hoofd zichtbaar, niet om dat van onze mede-wandelaars. Vandaar dat de zestiende-eeuwse beeldhouwer Benvenuto Cellini aannam dat het een teken van zijn genialiteit was. Tegenwoordig is de heiligenschijn op aardser wijze verklaard (M. Minnaert, De natuurkunde van t vrije veld I, Zutphen 1937): dauwdruppeltjes kaatsen op een speciale manier het zonlicht terug.
Een halo is een kring zoals die vaak om de zon en soms om de maan te zien is.
 |
Heiligenschijn (uit: Minnaert) |
|